Achtergrondinformatie

Bronnen

De indicatoren van de armoedebarometer zijn in hoofdzaak gebaseerd op de EU-SILC-enquête (European Union Statistics on Income and Living Conditions). Deze enquête naar inkomens en levensomstandigheden wordt op Europees vlak  gecoördineerd door Eurostat. In België is de uitvoering hiervan in handen van Statbel, het Belgisch statistiekbureau. 

Verder zijn er ook gegevens die voortvloeien uit de microsimulatie-tool MIMOSIS van de FOD Sociale Zekerheid. Meer bepaald de indicatoren ‘sociale uitkeringen als percentage van de armoederisicogrens’ worden aan de hand hiervan berekend.

Tot slot is er de Enquête naar Arbeidskrachten (EAK) die - net zoals EU-SILC-enquête - wordt gecoördineerd door Eurostat op Europees niveau en uitgevoerd door Statbel in België. De indicator ‘werkzaamheidsgraad’ onder het thema werk en de indicatoren ‘vroegtijdige schoolverlaters’ en ‘NEET’ onder het thema onderwijs zijn gebaseerd op deze enquête.

Methodologie

We lichten hieronder de voornaamste methodologische begrippen en indicatoren toe. Voor meer informatie kan u terecht op de website van Statbel of Eurostat.

Betrouwbaarheid van de gegevens

Alle indicatoren in de armoedebarometer worden berekend op basis van steekproeven. De cijfers dienen daarom met behulp van betrouwbaarheidsintervallen geïnterpreteerd te worden. Een betrouwbaarheidsinterval geeft aan met welke onder- en bovengrens we een bepaalde waarde dienen te interpreteren aangezien de waarde die we in de steekproef bekomen door toeval hoger of lager kan zijn.

Voor de EU-SILC-enquête en EAK-enquête wordt gewerkt met een betrouwbaarheidsinterval van 95 %. Dat betekent dat de werkelijke waarde van een bepaalde indicator voor de hele populatie met een waarschijnlijkheid van 95 % binnen dit interval ligt. Zo bedraagt het armoederisico in België op basis van de EU-SILC-steekproef van 2019 14,8 % (met een ondergrens 13,3 % en een bovengrens 16,3 %). 

Voor de eenvoud geven we de betrouwbaarheidsintervallen niet weer, deze kunnen worden terugvonden op de website van Statbel in de kwaliteitsrapporten.

Armoederisico

Het armoederisico (of monetaire armoede) is het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen (na sociale transfers) dat onder de armoederisicogrens ligt.

Armoederisicogrens

De armoederisicogrens is gelijk aan 60% van het nationaal mediaan equivalent beschikbaar huishoudinkomen.

De concrete berekening van de armoederisicogrens verloopt als volgt:

De inkomens van huishoudens met een verschillende grootte en samenstelling worden vergelijkbaar gemaakt aan de hand van equivalentieschalen. De equivalentieschaal kent een gewicht toe aan elk huishouden dat afhankelijk is van de grootte en samenstelling van het huishouden. Voor een alleenstaande of de eerste volwassenen in een huishouden wordt een gewicht van 1 toegekend. Elke bijkomende persoon van 14 jaar of ouder in het huishouden krijgt een gewicht van 0,5 en elk kind (onder de 14 jaar) een gewicht van 0,3.

Het equivalent beschikbaar inkomen wordt berekend door het totale beschikbare huishoudinkomen te delen door de equivalentieschaal. Voor een huishouden bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen wordt het beschikbare huishoudinkomen dus gedeeld door 2,1 om het equivalent beschikbaar inkomen te bekomen.

Vervolgens worden de personen van laag naar hoog geordend op basis van dit equivalent beschikbaar huishoudinkomen. Het inkomen van deze persoon die zich in het midden van deze rangschikking bevindt, is het mediaan equivalent beschikbaar huishoudinkomen.

De armoederisicogrens is gelijk aan 60% van deze mediaan. In de EU-SILC-enquête van 2019 (inkomens 2018) was dit 1.230 euro en dit is dan ook meteen de armoederisicogrens voor een alleenstaande. Voor andere huishoudtypes wordt de armoederisicogrens opnieuw vermenigvuldigd worden met een equivalentiefactor naargelang het huishoudtype. Voor een huishouden met twee volwassenen en twee kinderen (onder de 14 jaar)  is de armoederisicogrens dus 2,1 keer de armoederisicogrens voor een alleenstaande, namelijk 2.584 euro.

Sterk verhoogde armoederisico

We stellen dat een bepaalde bevolkingscategorie een sterk verhoogd armoederisico heeft wanneer het armoederisico minstens anderhalve keer het armoederisico voor de totale bevolking bedraagt. Als het armoederisico voor de totale bevolking bijvoorbeeld gelijk is aan 16 %, wordt elke bevolkingscategorie met een armoederisico van 24 % of meer gedefinieerd als een categorie met een sterk verhoogd armoederisico.

Beschikbaar inkomen

Het beschikbaar inkomen omvat alle inkomsten uit arbeid (lonen werknemers en inkomsten uit zelfstandige arbeid); privé-inkomsten uit investeringen en onroerend goed; transfers tussen huishoudens; alle sociale transfers ontvangen in contanten.

Sociale transfers

Sociale transfers omvatten:

  • rustpensioenen (gepensioneerden) en overlevingspensioenen (weduwen en weduwnaars);
  • werkloosheidsuitkering;
  • familiale toelagen waaronder kinderbijslagen;
  • ziekte- en invaliditeitsuitkeringen;
  • onderwijs-gerelateerde uitkeringen;
  • huurtoelagen;
  • sociale bijstand;
  • andere uitkeringen.

Ernstige materiële deprivatie

De mate van materiële deprivatie is een indicator die het onvermogen uitdrukt om sommige items te veroorloven die door de meeste mensen worden beschouwd als wenselijk of zelfs noodzakelijk om een adequaat leven te leiden.

Ernstige materiële deprivatie is het percentage van de bevolking dat zich ten minste 3 van de volgende 9 items niet kan veroorloven:

  • om hun huur, hypotheek of nutsrekeningen te betalen;
  • om hun huis voldoende warm te houden;
  • om onverwachte uitgaven te maken;
  • regelmatig eten van vlees of eiwitten;
  • om op vakantie te gaan;
  • een kleurentelevisie;
  • een wasmachine;
  • een auto;
  • een telefoon.

Huishoudens met een zeer lage werkintensiteit

De indicator ‘huishoudens met een zeer lage werkintensiteit’ is het percentage personen in een huishouden waar de leden in beroepsactieve leeftijd minder dan 20% van hun totale potentieel werkten gedurende de voorgaande twaalf maanden.

De werkintensiteit van een huishouden is de verhouding van het totale aantal maanden dat alle leden van het huishouden in de werkende leeftijd hebben gewerkt tijdens het inkomensreferentiejaar en het totale aantal maanden dat dezelfde leden van het huishouden theoretisch in dezelfde periode zouden kunnen gewerkt hebben.

Een werknemer in de werkende leeftijd is een persoon van 18-59 jaar, met uitsluiting van studenten in de leeftijdsgroep tussen 18 en 24 jaar.

Huishoudens die alleen uit kinderen, studenten jonger dan 25 jaar en/of mensen van 60 jaar of ouder bestaan, zijn volledig uitgesloten van de indicatorberekening.

Risico op armoede of sociale uitsluiting

Risico op armoede of sociale uitsluiting is een samengestelde indicator die aangeeft  of een persoon door minstens één van de volgende drie situaties wordt getroffen: monetaire armoede (of armoederisico), ernstige materiële deprivatie en/of in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit leven.

Materiële en sociale deprivatie

Materiële en sociale deprivatie wordt gedefinieerd als het onvermogen om te betalen voor ten minste 5 van de volgende 13 items. Deze items worden door de meeste mensen beschouwd als wenselijk of zelfs noodzakelijk om een adequaat leven te leiden.

De financiële (on)mogelijkheid van het huishouden om:

  • Rekeningen op tijd te betalen
  • Een week vakantie per jaar buitenshuis te nemen
  • Minstens om de twee dagen vlees, kip, vis of een vegetarisch alternatief te eten
  • Een onverwachte uitgave te doen
  • Zich een eigen wagen te veroorloven
  • Het huis voldoende te verwarmen
  • Beschadigde of versleten meubels te vervangen

De individuele financiële (on)mogelijkheid van personen om:

  • Versleten kledij te vervangen door nieuwe kledij
  • Twee paar schoenen in goede staat te hebben
  • Thuis toegang tot internet te hebben
  • Minstens éénmaal per maand met vrienden of familie af te spreken om iets te eten of te drinken
  • Regelmatig deel te nemen aan vrijetijdsactiviteiten
  • Wekelijks een bedrag uit te geven voor persoonlijke behoeften

Sociale uitkering als percentage van de armoederisicogrens

Deze indicator is gebaseerd op het netto beschikbaar huishoudinkomen van uitkeringsgerechtigden, inclusief kinderbijslagen en sociale toeslagen.

Voor de berekening van de indicatoren worden bepaalde veronderstellingen gemaakt. We lichten de voornaamste toe:

  • Minimum werkloosheidsuitkering: de betrokken persoon is 7 maanden werkloos.
  • Gewaarborgd minimum pensioen: de betrokken persoon heeft een volledige werknemersloopbaan gehad.